|
|
waarop Jehovah God aarde en hemel maakte.
|
|
|
plantengroei van het veld, want Jehovah God had het niet laten regenen op de aarde en er was geen mens om de
|
|
|
En Jehovah God ging ertoe over de mens te vormen uit stof van de aardbodem en in zijn neusgaten de
|
|
|
Voorts plantte Jehovah God een tuin in E̱den, tegen het oosten, en daar plaatste hij de mens die
|
|
|
Zo liet Jehovah God uit de aardbodem allerlei geboomte ontspruiten, begeerlijk voor het gezicht en
|
|
|
Jehovah God nam nu de mens en plaatste hem in de tuin van E̱den om die te bebouwen en er zorg voor
|
|
|
En Jehovah God legde de mens ook het volgende gebod op: „Van elke boom van de tuin moogt gij tot
|
|
|
Verder zei Jehovah God: „Het is niet goed dat de mens alleen blijft. Ik zal een hulp voor hem maken
|
|
|
Nu vormde Jehovah God uit de aardbodem al het wild gedierte van het veld en elk vliegend schepsel
|
|
|
Daarom deed Jehovah God een diepe slaap op de mens vallen, en terwijl hij sliep, nam hij een van
|
|
|
Daarna bouwde Jehovah God de rib die hij uit de mens had genomen tot een vrouw en bracht haar tot
|
|
|
De slang nu bleek het omzichtigste te zijn van al het wild gedierte van het veld dat Jehovah God
|
|
|
Later hoorden zij de stem van Jehovah God, die omstreeks het winderige gedeelte van de dag in de
|
|
|
En Jehovah God bleef de mens toeroepen en tot hem zeggen: „Waar zijt gij?”
|
|
|
Daarop zei Jehovah God tot de vrouw: „Wat hebt gij nu gedaan?” Waarop de vrouw antwoordde: „De
|
|
|
Nu zei Jehovah God tot de slang: „Omdat gij dit hebt gedaan, zijt gij de vervloekte onder alle
|
|
|
En Jehovah God ging ertoe over voor A̱dam en voor zijn vrouw lange kleren van vel te maken en hen
|
|
|
Verder zei Jehovah God: „Zie, de mens is als een van ons geworden wat het kennen van goed en kwaad
|
|
|
Daarop zette Jehovah God hem uit de tuin van E̱den om de aardbodem te bebouwen, waaruit hij genomen
|
|
|
zei: „Ik heb met de hulp van Jehovah een man voortgebracht.”
|
|
|
offergave aan Jehovah ging brengen.
|
|
|
Terwijl Jehovah nu goedgunstig op A̱bel en zijn offergave neerzag,
|
|
|
Hierop zei Jehovah tot Ka̱ïn: „Waarom zijt gij in toorn ontstoken en waarom is uw gelaat betrokken?
|
|
|
Naderhand zei Jehovah tot Ka̱ïn: „Waar is uw broer A̱bel?”, en hij zei: „Ik weet het niet. Ben ik
|
|
|
Hierop zei Ka̱ïn tot Jehovah: „Mijn straf voor [mijn] dwaling is te groot om te dragen.
|
|
|
Hierop zei Jehovah tot hem: „Om die reden moet een ieder die Ka̱ïn doodt, zevenvoudig wraak
|
|
|
Daarop ging Ka̱ïn weg van het aangezicht van Jehovah en vestigde zich in het land der
|
|
|
een begin mee gemaakt de naam van Jehovah aan te roepen.
|
|
|
voor de smart van onze handen ten gevolge van de aardbodem, die door Jehovah vervloekt is.”
|
|
|
Daarna zei Jehovah: „Voorwaar, mijn geest zal niet voor onbepaalde tijd ten aanzien van de mens
|